BTW-nummer op uw website – deel 2

Om een ordelijk economisch verkeer tussen ondernemers en consumenten mogelijk te maken zijn er de laatste tijd vele regels en wetten ingevoerd om dit mogelijk te maken Hieronder vallen ook informatieverplichtingen waaronder ook het btw-identificatienummer. Naast de algemene informatieverplichtingen die uit de richtlijn inzake elektronische handel uit 2000 zijn voorgekomen, kent de dienstenrichtlijn (met betrekking tot diensten op de interne markt) een specifieke verplichting voor het op enigerlei wijze verstrekken of toegankelijk maken van het btw-nummer in relevante gevallen.

Deze regel is onder andere terug te vinden in artikel 6:230a t/m 6:230c van het Burgerlijk Wetboek. Hierin wordt duidelijk gemaakt dat iedereen die een dienst aanbiedt binnen de huidige informatiemaatschappij verplicht is zijn BTW-nummer voor allen die de dienst afnemen toegankelijk te maken.

De ondernemer heeft daarbij wel de volgende keuzes om aan deze informatieverplichting te voldoen;

  • het telkens weergeven en toegankelijk maken van het btw-nummer aan de (potentiële) klant
  • de informatie over het btw-nummer toegankelijk maken op de plaats waar de dienst wordt verricht of waar het contract wordt gesloten
  • de informatie over het btw-nummer gemakkelijk toegankelijk maken op een van tevoren medegedeelde URL/webpagina
  • de informatie over het btw-nummer opnemen in de algemene voorwaarden en/of een eventueel contract dat door de dienstverrichter aan de afnemer wordt verstrekt waar in detail zijn diensten worden beschreven

Het is aan de ondernemer om dit binnen de eigen website en daarbij gekozen uitgangspunten concreet vorm te geven. De keuze ligt dus ten alle tijden bij de ondernemer zelf om aan deze verplichting te voldoen. Echter, er is geen sprake van een verplichting om het BTW-nummer op de website te vermelden.

lees meer op de site van de Belastingdienst

Wél verplicht: BTW nummer op je website

Ondernemers zijn wél verplicht hun btw-nummer op hun internetsite te vermelden.

Eerder zei de Belastingdienst onterecht dat dit niet verplicht is.

Op 2 augustus 2013 plaatste de Belastingdienst een nieuwsbericht waarin stond dat ondernemers met een internetsite niet verplicht zijn hun btw-nummer hierop te vermelden. Dit is onjuist. Btw-ondernemers die een internetsite hebben, zijn wél verplicht hun btw-nummer hierop te vermelden. De Belastingdienst heeft het nieuwsbericht inmiddels aangepast.

Generieke drempelvrijstelling voor stichtingen en verenigingen

Sinds 1 januari 2012 geldt een nieuwe generieke (drempel)vrijstelling. Tot 1 juli 2013 kan er nog voor een vrijwillige VPB-plicht gekozen worden.

Stichtingen en verenigingen die een onderneming drijven, zijn in beginsel ook belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Voor instellingen in de zorgsector is een vrijstelling mogelijk, indien meer dan 90% van het werk uit genezing, verpleging of verzorging bestaat. Hierdoor vallen veel instellingen zoals welzijn, maatschappelijk werk en prenatale zorg, buiten de vrijstelling en worden zij als VPB-plichtig aangemerkt.

Wetsvoorstel compartimentering van deelnemingsvoordelen aangekondigd

Een wetswijziging heeft onmiddellijke werking tenzij de wetgever bij die wetswijziging een overgangsbepaling heeft opgenomen. De Hoge Raad besliste op 14 juni 2013 dat dit ook geldt voor de wijziging van de deelnemingsvrijstelling met ingang van 1 januari 2007. Nog op dezelfde dag bracht de staatssecretaris een persbericht uit waarin hij een wetsvoorstel over compartimentering van deelnemingsvoordelen aankondigde. Het wetsvoorstel zal terugwerkende kracht krijgen tot en met 14 juni 2013. Bij een sfeerovergang van de belaste naar de onbelaste sfeer, en omgekeerd, wanneer deze ook mocht hebben plaatsgevonden, worden de voordelen die na deze overgang worden gerealiseerd, verdeeld over de belaste en de onbelaste periode. Als na een sfeerovergang een dividend wordt ontvangen, is op het dividend de deelnemingsvrijstelling van toepassing als aannemelijk is dat dit dividend afkomstig is uit de onbelaste periode. Zijn de dividenden afkomstig uit de belaste periode en worden deze daadwerkelijk in de heffing begrepen, dan zal dit leiden tot evenredige verhoging van het opgeofferde bedrag. Verdwijnen aandelen geheel of gedeeltelijk uit het vermogen van de belastingplichtige, bijvoorbeeld als gevolg van een vervreemding, dan moet worden bekeken waaruit de vervreemdingsopbrengst is opgebouwd. Naast de sfeerovergang tussen de belaste sfeer en de onbelaste sfeer wordt ook de overgang met de zogenoemde verrekeningssfeer geregeld.

Bron: www.futd.nl

Definitief rapport commissie Van Dijkhuizen over herziening inkomstenbelasting gepubliceerd

Op 17 juni 2013 heeft commissie Van Dijkhuizen het definitieve rapport over de herziening van de inkomstenbelasting gepubliceerd. Op 17 oktober 2012 had deze commissie al een interimrapport uitgebracht met een aantal maatregelen dat voornamelijk betrekking hadden op box 1 (belastbaar inkomen uit werk en woning). Het definitieve rapport bevat ook maatregelen voor box 2 (belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang) en box 3 (belastbaar inkomen uit sparen en beleggen).

De meest in het oog springende aanvullingen op het interimrapport zijn de volgende:

  1. De hoogte van het forfaitaire rendement in box 3 gaat omlaag van 4% naar 3% en zou gekoppeld kunnen worden aan de spaarrente van de voorafgaande vijf jaren. Voor 2014 zou dit tot een forfaitair rendement leiden van 2,4%. De ouderentoeslag op het heffingvrije vermogen in box 3 wordt in achttien jaarlijkse stappen afgebouwd;
  2. Er komt een forfaitair rendement van 2,4% over het box 2-vermogen (aandelenvermogen van directeur-grootaandeelhouder). Bedraagt het feitelijke dividend minder dan het forfaitaire rendement, dan wordt het verschil bijgeboekt bij de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang;
  3. Het box 2-tarief gaat omlaag van 25% naar 22%;
  4.  Het ‘gebruikelijk loon’ dat een directeur-grootaandeelhouder voor zichzelf fiscaal mag vaststellen, mag niet maximaal 30% maar maximaal 10% afwijken van wat een ‘vergelijkbare werknemer zonder aandelenbelangen’ verdient;
  5. De eigen woning wordt geleidelijk overgebracht van box 1 naar box 3. De aftrekbaarheid van hypotheekrente van een eigenwoninglening voor bestaande en nieuwe gevallen wordt daarbij in één keer beperkt tot het tarief in de eerste belastingschijf (37%). Volledige aflossing van de eigen woningschuld is niet meer verplicht, aflossing tot de helft van de waarde van de woning volstaat. De overdrachtsbelasting op woningen vervalt. De rente op een restschuld van een voormalige eigen woning blijft gedurende twaalf jaar aftrekbaar als eigenwoningrente.
  6. De huren in de gereguleerde sector gaan geleidelijk omhoog en worden afgeroomd door een verhuurderheffing;
  7. De zorgtoeslag, de huurtoeslag en het kindgebonden budget worden samengevoegd tot een ‘huishoudentoeslag’ met een uniform afbouwpercentage dat onafhankelijk is van het aantal toeslagen of het inkomen.
  8. Maximaal de eerste € 1.100 aan huishoudentoeslag per persoon wordt niet meer aan de burger uitbetaald maar aan de zorgverzekeraar. Het overige wordt wel aan de burger uitbetaald.

Over de aanpassingen in box 1 heeft de commissie nog nadere preciseringen aangebracht. De eindsituatie is als volgt:

  1. Het aantal tariefschijven wordt teruggebracht naar twee. Het laagste tarief bedraagt 37% en het hoogste tarief 49%. In latere jaren kunnen de tarieven verder dalen tot 34% en 46%. De lengte van de eerste belastingschijf (€ 19.645, jaar 2013) gaat met circa € 20.000 omhoog naar ruim € 60.000;
  2. De algemene heffingskorting (€ 2001, jaar 2013) gaat met € 300 omhoog;
  3. De arbeidskorting (maximaal € 1.723, jaar 2013) gaat met € 400 omhoog;
  4. Voor zover aftrekposten in box 1 blijven bestaan, adviseert de commissie om deze zo veel mogelijk de vorm te geven van heffingskortingen en waarbij de kosten worden verrekend tegen een vast tarief.

Bron: Ministerie van Financiën, 18-6-2013, Nieuwsbericht.

Het nog niet overgaan van risico van tenietgaan van onroerende zaak vormde struikelblok bij aanwending herinvesteringsreserve

Uit een uitspraak van Hof Amsterdam blijkt weer eens dat de aanschaffingskosten van een vervangend bedrijfsmiddel pas kunnen worden geactiveerd vanaf het moment waarop de ondernemer over het volledige economische eigendom van het bedrijfsmiddel beschikt. Dat wil zeggen dat alle waardeveranderingen van het bedrijfsmiddel en het risico van tenietgaan de ondernemer moeten aangaan. Een partijen bindende koopovereenkomst is daarvoor in het algemeen onvoldoende. De zaak voor Hof Amsterdam was vereenvoudigd weergegeven als volgt.

Een binnen fiscale eenheid gevoegde dochtervennootschap (Y bv) van belanghebbende (X bv) verkocht in 2003 haar onderneming, met uitzondering van het bedrijfspand, aan Q bv. In augustus 2005 verkocht Y bv het bedrijfspand en reserveerde de boekwinst door hiervoor een herinvesteringsreserve te vormen. Y bv kwam op 25 november 2005 om 16.40 uur met een derde (W bv) de aanschaf van twee panden van W bv overeen. X bv verkocht om 17.07 uur de aandelen Y BV aan W bv. Om 17.13 uur vond de notariële levering van de twee panden plaats. Bij het regelen van de aanslag vennootschapsbelasting 2005 van X bv stelde de inspecteur zich op het standpunt dat de herinvesteringsreserve in de winst moest vrijvallen.

Rechtbank Haarlem kwam tot het oordeel dat het uiteindelijke belang in de bv in belangrijke mate was gewijzigd voordat de vervangende onroerende zaken waren aangeschaft en dat de inspecteur daardoor terecht had gesteld dat de herinvesteringsreserve in de winst van de moedermaatschappij moest vrijvallen.

In hoger beroep oordeelt Hof Amsterdam dat de onroerende zaken niet op de ontvoegingsbalans van Y bv konden worden geactiveerd, omdat dat pas mogelijk is vanaf het moment waarop Y bv over de volledige economische eigendom van het bedrijfsmiddel beschikt. Dat moment is in dit geval vanaf het moment van de notariële levering van de twee panden. Pas op dat moment gaat het risico van tenietgaan van de panden over op de koper (Y bv). Het hof merkte op dat op deze ontvoegingsbalans de boekwinst die was ontstaan door het verkopen van een oud bedrijfsmiddel niet via een herinvesteringsreserve en ook niet met toepassing van de zogeheten ruilgedachte kon worden afgeboekt op te activeren aanschaffingskosten van een vervangend bedrijfsmiddel. Het hof stelde ook vast dat het ontvoegingstijdstip gelijktijdig met het tijdstip van overgang van de economische eigendom van de aandelen had plaatsgevonden. Het hof bevestigde uiteindelijk de uitspraak van de rechtbank, maar op iets andere gronden.

Aanscherping handel in herinvesteringslichamen
Indien een onderneming een boekwinst heeft behaald met het verkopen van een bedrijfsmiddel kan zij onder voorwaarden een herinvesteringsreserve vormen. De herinvesteringsreserve biedt de mogelijkheid om boekwinsten op vervreemde bedrijfsmiddelen tijdelijk te reserveren en af te boeken op de aanschaffingskosten van een vervangend bedrijfsmiddel waardoor uitstel van belastingheffing over de behaalde boekwinsten plaatsvindt. Per 1 januari 2013 is de wettelijke regeling van de herinvesteringsreserve door het Belastingplan 2013 gewijzigd en is de handel in herinvesteringslichamen aangescherpt.

Bron: Hof Amsterdam, 28-3-2013, nr. 11/00641 (gepubliceerd 5-6-2013).